Flying Dutchman: Antony Hermus

 

Hoe ben je in het dirigeervak terecht gekomen?

Da’s een hele goede vraag, en het antwoord is eigenlijk eenvoudig: heel toevallig! Ik heb eigenlijk na mijn middelbare schooltijd op de Universiteit van Tilburg Bestuurlijke Informatiekunde gestudeerd, en dat ook afgemaakt. Natuurlijk heb ik van jongsafaan veel muziek gemaakt, speelde handig piano, en zo dat ik op een gegeven ogenblik op de vooropleiding van het Brabants Conservatorium ben beland. Mijn leraar, de befaamde belgische pianopedagoog Jacques de Tiège, heeft me toen overtuigd de vooropleiding voor de vakopleiding te verwisselen. Ik begon al wat te werken met koren, en op een gegeven moment heb ik met het amateurorkest van Oosterhout, waar ik vandaan kom, een pianoconcert van Haydn gerepeteerd – want de dirigent was ziek. Toen heb ik vanachter de piano de repetities geleid, en gemerkt dat ik het erg leuk vond, leuk om met groepen om te gaan. En natuurlijk was ik al van kinds af aan zeer geinteresseerd in symfonische muziek. De optelsom van dit alles heeft dan geresulteerd dat ik aangeklopt heb op de kamer van de leraar orkestdirectie op ons conservatorium Jac. van Steen, met de wens dirigeren te studeren. En vanaf dat moment heeft het leven zo zijn beloop genomen.

 

Hoe ben je in Hagen bij het theater aldaar gekomen?

Dat was ook zeer toevallig. Het was Jac. van Steen een doorn in het oog dat ik zoveel dingen tegelijkertijd deed. Na mijn propedeutisch examen in 1998 stelde hij dan ook duidelijke voorwaarden voor een verder vervolg van mijn studie: ik moest een jaar lang alles opgeven en alleen bij hem orkestdirectie gaan studeren – anders zou ik mijn talent vergooien. En, zo voegde hij eraan toe, ik zou eens moeten gaan kijken in de theaterwereld in Duitsland. In Nederland zijn er niet veel mogelijkheden voor dirigenten om professioneel aan de bak te komen, en in Duitsland is een groot theaterlandschap. Ik speelde handig piano, en ik zou eens moeten uitproberen hoe dat dat allemaal werkt in een Duits theater. Als het me niet zou bevallen, zou ik na twee dagen weer terug zijn, en als het me zou bevallen zou ik er nooit meer weg gaan. Over een bevriende collega, Georg Fritzsch, die destijds chefdirigent was in Hagen, regelde hij voor dat seizoen een stage – en de rest van het verhaal is bekend: ik ben er nog steeds!

 

Wat is je functie bij theater Hagen?

Sinds het seizoen 2003/2004 ben ik Generalmusikdirektor van het theater Hagen en chefdirigent van het Philharmonisch Orchester. Ik dirigeer hier minstens 3 premieres per seizoen en een herneming, daarnaast ook minstens 10 concertprogramma’s per jaar in de afzonderlijke concertserie die het orkest heeft. Na mijn twee maanden stage in 1998 bood de intendant me een contract aan als repetitor, en het jaar daarna werd ik tot Studienleiter, quasi de hoofd-repetitor, bevorderd. Het jaar daarna kreeg ik mijn eerste eigen produktie, »My fair lady«, en in 2001 werd ik door het orkest gevraagd auditie te doen voor de job van 1e Kapellmeister. Deze job heb ik 2 jaar uitgevoerd – ik mocht alle stukken van de toenmalige Generalmusikdirektor nadirigeren, had ook mijn eigen produkties, en kon zo flink ervaring opdoen – ervaring die je in Nederland nauwelijks kunt krijgen. Toen in 2003 de toenmalige GMD het theater verliet, liep de zoektocht naar een nieuwe chef spaak, en werd mij plotseling gevraagd ad interim de leiding over te nemen – ik was toen 29. Eigenlijk wilde ik niet, ik vond het veel te vroeg voor zo’n grote verantwoording. Maar na flink te zijn bewerkt van alle kanten heb ik het toch gedaan ... Er werd verder gezocht naar een nieuwe chef, maar na een interne afstemming door het orkest waarbij ik niet één tegenstem kreeg, is de orkestcommissie naar de wethouder van cultuur gestapt, met de hartstochtelijke vraag of hij niet alles kon doen om mij te houden. Ik was natuurlijk tamelijk onzeker in het begin, dirigeerde alle grote stukken voor de eerste keer – »Bohème«, »Katja Kabanova«, »Giovanni«, »Carmen«, »Elektra«, »Boris« etc. –, maar de credits en de hulp die ik van het orkest kreeg plus alle ondersteuning door de intendant hebben mij in staat gesteld me te ontwikkelen op zowel muzikaal, menselijk als managementgebied. Ik heb dan ook nu een repertoire van bijna 50 opera’s en ca. 200 symfonische werken, die in de afgelopen tien jaar onder mijn handen zijn gekomen. En daar ben ik dan ook ongelooflijk dankbaar voor.

 

Hoe bouwen jullie een seizoen op?

Begint het bij jullie met het uitkiezen van titels, of met het kiezen van een artistiek team? Ik heb altijd ongelooflijk veel waarde gehecht aan de opbouw van een goed zangerensemble – een zangerensemble van goede, jonge zangers gemengd met de wat oudere, ervarenere. Dit zangerensemble moet je koesteren, zij zijn de diamanten in je huis, zij zorgen voor de identificatie met je publiek. Bij de opbouw van een seizoen hebben wij de afgelopen jaren geprobeerd stukken te zoeken die het publiek aansprak, maar die ook de zangers de gelegenheid zouden geven zich te ontwikkelen. Dat dit een enorme opgave is moge duidelijk zijn! ... Je mag de zangers niet overbelasten, want ze spelen bijna allemaal in het merendeel der producties mee, maar ook niet onderbelasten. En je kunt niet alleen »Tosca«, »Zauberflöte« en »Carmen« spelen, je moet ook minder bekende stukken, en mogelijk ook (wereld)premieres op het repertoire zetten. Wij produceren per jaar maar liefst 10 nieuwe produkties: 6 opera’s, een operette, een musical en twee balletavonden. Het doel is een goede balans te vinden voor iedereen, en daarmee een aantrekkelijk seizoen te plannen. En als ik terugkijk, denk ik dat we daar de afgelopen seizoenen behoorlijk in geslaagd zijn!

 

Wat heb je allemaal al bereikt in je functie (waar ben je trots op)?

Da’s een moeilijke vraag – niet zo eenvoudig te beantwoorden. Trots ben ik op de weg, die ik samen met mijn zangers en met mijn orkest heb mogen afleggen. Samen hebben we ons kunnen ontwikkelen, en we hebben in de afgelopen jaren Hagen een zeer duidelijke plaats weten te geven in het Duitse theaterlandschap. Natuurlijk hebben we qua repertoire de hele bandbreedte geprobeerd af te dekken, over »Carmen«, »Faust« en »Manon« naar »Forza«, »Rake’s Progress« en »Falstaff« – en vooral ook met een duidelijke voorliefde voor de Duitse romantiek – »Tannhäuser«, »Freischütz« en zelfs »Elektra«. We hebben ook prachtige produkties met minder bekende stukken gedaan, zoals bijvoorbeeld Humperdincks »Königskinder« of Zemlinskys »Kleider machen Leute«, en ook moderne stukken als Knussens »Where the wild things are« in combinatie met Ravels »L’enfant« en dit seizoen nu Jake Heggies »Dead man Walking«, naar de gelijknamige film. Ook hebben we het theater en het orkest de afgelopen jaren een duidelijke plaats in de stad weten te geven – orkestmusici stellen in scholen instrumenten voor, we hebben regelmatig jeugdconcerten over allerlei verschillende onderwerpen, en één keer per jaar organiseren we een scratch-projekt, waarbij in één dag met zoveel mogelijk zangers stukken als het Mozart-Requiem en »Carmina Burana« worden ingestudeerd en ’s avonds met mijn orkest worden uitgevoerd. Het meest trots erop ben ik dat het ons gelukt is het niveau van de produkties duidelijk te verhogen, de muzikale standaard verder te ontwikkelen, en vooral, zelfs in het orkest, een grote arbeidsmoraal en -flexibiliteit te creeeren. »Het moet goed, want wij zijn dat hier zo gewend«. En dienst naar voorschrift komt hier gewoon niet meer in het woordenboek voor, wat voor een Duits repertoirehuis relatief zeldzaam is.

 

Hoe is het om in Hagen te wonen?

Leuk! Ik heb een prachtige woning, bovenop een berg, en als ik ’s ochtends studeer zie ik de zon opkomen en kijk ik uit over het prachtige dal waarin Hagen verborgen ligt. Anders dan in Nederland wordt een operahuis in een provinciestad als Hagen ook gekenmerkt door een grote sociale betrokkenheid – als lid van het ensemble of van het orkest wordt je op straat herkend, de identificatiegraad is erg hoog. Mensen zijn trots op hun theater, zijn trots op hun orkest, en laten dat op allerlei manieren merken.

 

Spreek je inmiddels vloeiend Duits?

Al doende leert men ... Intussen is mijn Duits behoorlijk vloeiend, en het Rudi-Carell-niveau ontstegen. Natuurlijk maak ik af en toe nog wel een paar naamvalfoutjes, maar gek genoeg vinden die Duitsers dat alleen maar charmant!

 

Wat zijn de verschillen met de Nederlandse Opera?

Het grote verschil met de Nederlandse opera, is dat in Hagen steeds één orkest speelt, en dat alle stukken bezet worden vanuit één zangerensemble, natuurlijk met af en toe een paar gasten. Daardoor is de identificatie door de bevolking erg groot, nadeel is natuurlijk dat de artistieke »kleur« minder veelzijdig is. Het grote voordeel is dat er nu een bepaalde mate van vertrouwen is ontstaan, die het mogelijk maakt dat ik bepaalde zangers zonder woorden begrijp, en dat zij ook precies weten waar ik naar toe wil. En hetzelfde geldt voor mijn orkest – we zijn nu in een stadium gekomen waar we de vruchten van vijf jaar noeste arbeid kunnen plukken!

 

Merk je nog dat je Nederlander bent?

Jazeker – de hagelslag en de drop blijven vast bestanddeel van mijn huiselijke inventaris! En de Nederlandse mentaliteit blijft toch altijd de kop op steken – direkt, eerlijk en recht voor zijn raap. Daar hadden die Duitsers in het begin best veel moeite mee, maar ondertussen zijn ze het van mij gewend :-).

 

Mis je Nederland?

In sommige opzichten ja, en in andere opzichten weer niet. Als je ziet dat in Duitsland iedere zichzelf respekterende stad een eigen theater en een eigen orkest heeft, en dit ook nog voor een groot deel zelf financiert, is dat een houding ten opzichte van cultuur waar we in Nederland nog iets van kunnen leren. Aan de andere kant is de mentaliteit van de gemiddelde Duitser erg strak en hierarchisch ingesteld. Wanneer je daar dan als »lockere« Nederlander tussendoor loopt en soms ook een paar in hun ogen »heilige huisjes« omver schopt, merk je toch dat een aantal mensen daar erg aan moet wennen ... Maar als ze begrijpen dat je het leven ook op een gedisciplineerde ontspannen manier kunt aangaan, nemen veel Duitsers deze handreiking dankbaar aan!

 

Wat zijn je favoriete opera's?

Da’s een hele moeilijke! Er zijn zoveel fantastische meesterwerken gecomponeerd, dat ik het ongelooflijk moeilijk vind daaruit te kiezen ... Ik houd ongelooflijk van Mozart, vind Strauss, Verdi, Puccini en Wagner de geniaalste muziekdramatici die ooit geleefd hebben, ben gefascineerd door Janacek, en door Bizets Carmen is mijn liefde aan de opera ooit ontbrand. Maar welke nu favoriet is – ik kan het je niet zeggen. Er is zoveel moois!

 

Wat zijn je favoriete zangers, collega-dirigenten, regisseurs?

In het operavak ben ik ongelooflijk gefascineerd door Antonio Pappano, die ik afgelopen jaar ook heb mogen assisteren in Covent Garden – wat voor een ongelooflijk gevoel voor drama en opbouw heeft die man – en wat weet hij veel van zangers! Ook Hartmut Haenchen vind ik geweldig, met name op het gebied van Wagner en Strauss. Bernard Haitink is natuurlijk een fenomeen, en natuurlijk zijn de opnames van Carlos Kleiber eenmalig. Opera dirigeren is nu eenmaal echt een totaal ander vak dan concert dirigeren, er komen zoveel meer facetten bij kijken, en het is zoveel malen moeilijker, te beginnen bij de coordinatie tussen Bühne en orkestbak. Qua zangers ben ik ongelooflijk onder de indruk van Rolando Villazon en Nina Stemme, en qua regisseur heb ik één fantastische lievelingsregisseur, met wie ik al drie produkties heb mogen doen, en dat is Roman Hovenbitzer. Iemand die zo muzikaal en zo origineel regie voert, zou een voorbeeld moeten zijn voor vele anderen.

 

Welke voorstellingen hebben de meeste indruk op je gemaakt in jouw operabestaan?

Dat zijn die voorstellingen geweest van produkties waar je het gevoel had, dat alles klopt, dat muziek en drama, zangers en orkest, decor en regie, dat alles een eenheid vormt en ook als eenheid op de toeschouwers werkt. Als dat lukt, en dat is helaas veel te zelden, dan is dat een geweldige ervaring. Ik had dat laatst bij de Westduitse premiere van Heggies »Dead Man Walking«, ik had het bij »Der Fliegende Holländer« van Wagner, en ik had het bij »Die Tote Stadt« van Korngold, die we afgelopen seizoen hebben gespeeld. Dit seizoen had ik een wonderbaarlijke ervaring in Frankrijk, waar ik met de jonge zangers van het Atelier Lyrique van de Opéra de Bastille in Parijs »Cosi fan tutte« heb ingestudeerd – het energieniveau en het enthousiasme van deze fantastische zangers sloeg ogenblikkelijk over op iedereen die aan de produktie meewerkte – niet in de laatste plaats op het orkest. Als je dan zo’n club bij elkaar hebt waarvan de chemie echt klopt, dan kunnen er wonderen gebeuren – en dat zijn de momenten waarop je je weer realiseert wat voor een prachtig beroep we hebben, en wat voor bevoorrechte mensen we zijn!

 

Wat zou je als dirigent nog willen bereiken?

»Bereiken« impliceert eigenlijk een doel – en een precies doel heb ik niet. Mijn echte doel is, heel boedistisch gezien, mijn »weg«: ik hoop dat ik mijzelf kan blijven ontwikkelen, dat ik mag blijven samenwerken met goede, interessante en bijzondere mensen, die ik mag inspireren als dirigent en als mens, en die mij ook inspireren. Tot nog toe heb ik veel geluk gehad, ik ben altijd op het juiste moment de juiste mensen tegen het lijf gelopen, die mij verder hebben geholpen – en daar ben ik natuurlijk extreem dankbaar voor. Volgend seizoen belooft erg spannend te worden – ik dirigeer veel concerten met veel verschillende orkesten in Duitsland, Frankrijk en Nederland en ben verder in Rennes met »Don Giovanni«, in Parijs met »Matrimonio Segreto« en bij Opera Zuid met het Sprookje van »Tsaar Saltan« van Rimsky-Korsakow, wat overigens mijn Nederlands operadebuut wordt! Muziek is de taal van de passie, zei Richard Wagner al. Ik denk dan ook dat mijn vrienden mij zullen omschrijven als een gepassioneerd muzikant. Ik vind niets mooier dan wanneer iemand uit het publiek naar me toekomt, en me toefluistert dat hij een schitterende avond heeft gehad. Wanneer het ons lukt het publiek met natte ogen in de nacht te sturen, dan is ons echte doel bereikt – en daar ga ik voor, iedere avond weer!

Vriendenbulletin, De Nederlandse Opera, Nr. 4 | April 2008

 

 

> close window